sociale mobiliteit

Op zoek naar de kern van het vak welzijns-, jongerenwerk stuitte ik op het begrip sociale mobiliteit. Pedagogen hebben vanaf midden ‘90 onderzoek gedaan naar de levensloop van kinderen uit probleem- en achterstandsgezinnen en zijn daarbij gestuit op het fenomeen; dat sommige kinderen – uit hetzelfde gezin – wel en sommige niet uit de problematische situatie wisten te komen. Tot dan toe was het gangbaar uit te gaan van intergenerationele reproductie, je blijft als kind binnen het systeem van je ouders. Werd je mishandeld dan is de kans groot dat je ook gaat mishandelen.

Dat bleek in veel gevallen niet op te gaan, als het goed ging was er meestal sprake van een verandering van milieu, trouwen buiten de sociale klasse, carriere door talent – voetballers, musici -, adoptie, werk enzovoorts. Sociale mobiliteit dus, het verlaten van je sociale omgeving. Een helder concept om richting te geven aan het werk van welzijnsorganisaties. Ik heb het in 2002 voor het eerst opgenomen in de werkplannen van SJA. We hebben het verder ontwikkeld door middel van talentontwikkeling , peer education en stageprojecten als Track the Talent (waarin het bedrijfsleven jongeren uit de probleemwijken kennis laten maken met hun werk en uiteindelijk een betaalde stage leveren). Daarbij hanteerden we Amerikaanse concepten; uptown – downtown of coorperate Amsterdam – the neighbourhood. 

Tot op heden heb ik het nooit in andere werkplannen van welzijnsorganisaties gelezen en daarmee mist m.i. welzijnswerk een belangrijke focus. Gelukkig las ik in de VK van 7.5.2010 dat Heinz Schiller, directeur Doenja Utrecht, het nu oppakt met zijn publicatie ‘De kunst van het stijgen’. (te bestellen bij www.verdiwel.nl).

Warm aanbevolen.

Reageren

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*
*